De mensen om me heen aan de grote tafel in de kantine hebben het overduidelijk gezellig. En ik? Ik voel me er totaal niet bij horen. Even waan ik me weer in de brugklas: dat moment dat je die grote aula binnen komt lopen, op zoek naar een plekje om je broodje te eten. Net als toen doe ik heel hard m’n best om op het goede moment iets te zeggen, maar ik vind geen enkel aanknopingspunt in het gesprek.

Er schieten in één keer een heleboel oude gedachten door m’n hoofd. Gedachten uit de tijd dat ik me nog zo vaak een verlegen meisje voelde. ‘Wat moet ik doen?!’, ‘Ze vinden me vast niet leuk’, ‘Als ik zo door ga, dan weet ik in ieder geval zeker dat ik hier geen vervolgopdracht zal krijgen’, ‘aaargh, ik moét iets zeggen, anders dan vinden zij me weer ‘dat ene meisje dat niks zegt’’.

En dan druk ik heel hard op pauze: HO! STOP! Dit zijn oude gedachten, met de nadruk op oud. Deze gedachten kloppen helemaal niet: ik ben helemaal geen verlegen meisje dat nooit wat zegt! Ik zit aan een tafel met mensen waar ik het niet zo goed mee kan vinden, maar dat is helemaal oké. Dat ligt niet aan mij en dat ligt ook niet aan hen. Dat ligt aan de connectie tussen mij en de rest die er gewoon niet is. Niemand heeft ooit gezegd dat je een connectie moet hebben met iedereen die je ontmoet. Ik hoef dus ook niets te doen, ik hoef alleen maar mezelf te zijn.

Die oude gedachten schieten nog tientallen keren door m’n hoofd, dat zal ik niet ontkennen. Maar ik weet wel beter. En elke keer denk ik terug aan een situatie van een paar maanden eerder bij een andere opdrachtgever. Ook een kantoor waar ik voor het eerst binnenkwam, maar binnen no time had ik ontzettend leuk contact met m’n nieuwe collega. Na een paar werkdagen vertelt ze me over een jongen waar ze een korte relatie mee heeft gehad. Hij wilde hun relatie geheim houden en sinds het over is tussen de twee, doet hij net alsof hij haar niet kent. Ze vertelt dat ze juist sarcastische opmerkingen naar hem maakt, omdat ze het zo stom vindt dat hij zo moeilijk aan het doen is. Ik zeg haar dat ik precies hetzelfde zou doen en dan lacht ze: “Jaaa, wij zijn hier ook veel te assertief voor!”

Ik glunder van binnen, omdat ik als brugklasmeisje echt nooit gedacht had dat mensen mij later in m’n leven zouden typeren als assertief. Dat verlegen meisje… er blijft toch altijd ergens een klein stukje van haar in m’n hoofd zitten. Maar na deze opmerking kan ik weer een heel stuk van haar loslaten. En nu ik me weer even dat verlegen meisje voel aan die grote tafel in de kantine, weet ik zó goed dat zij niet is wie ik ben, maar wie ik was. Ik ben die assertieve vrouw en voel me nu even ongemakkelijk omdat ik niet pas tussen de mensen met wie ik aan het lunchen ben. Maar dat heeft niets te maken met wie ik ben, maar hoe ik me op dit moment eventjes voel.